Minister Slob vindt de dat de voorstellen voor verbetering van het curriculum van het primair en voortgezet onderwijs ‘een solide basis bieden voor het vervolg’. Dat schrijft de minister in de reactie die hij vandaag namens het kabinet naar de Tweede Kamer stuurde. Minister Slob reageert daarmee op de tussenresultaten die het Curriculum.nu project op 10 oktober presenteerde. Diverse zogeheten ontwikkelteams hebben toen voorstellen gedaan voor invulling van het nieuwe curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs.

Uiteindelijk moet dit project leiden tot nieuwe kerndoelen en eindtermen voor het funderend onderwijs. De huidige tussenresultaten moeten daarvoor nog vertaald worden naar goed onderwijs dat leerlingen uitdaagt en scholen ruimte geeft. Volgens de minister moeten de kerndoelen en eindtermen ‘scherp en concreet geformuleerd worden, en zich beperken tot de kennis en vaardigheden die leerlingen moeten kennen en kunnen’. Volgens de minister is het belangrijk vrijheid van inrichting (het ‘hoe’) te waarborgen. De geactualiseerde kerndoelen worden daarom op een uitwerkingsniveau geformuleerd met een mate van concreetheid die tussen de huidige kerndoelen en de referentieniveaus in ligt.

De Coördinatiegroep Curriculum.nu adviseert om toe te werken naar een kerncurriculum dat 70% van de onderwijsruimte invult en 30% van de invulling overlaat aan scholen. Hiermee wil Curriculum.nu tegemoetkomen aan de klacht van scholen dat het huidige curriculum overladen is.

De komende twee jaar zullen leraren, schoolleiders, wetenschappers en vertegenwoordigers van het vervolgonderwijs samen de huidige tussenresultaten uitwerken, beproeven en verbeteren tot kerndoelen voor het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Daarna volgt wettelijke verankering van deze kerndoelen. Voor de eindtermen van het voortgezet onderwijs is het nog nodig om eerst de bouwstenen voor de bovenbouw verder af te ronden. Dit zal ongeveer nog een jaar vergen, waarna ook voor de bovenbouw de concrete vertaling naar eindtermen per vak gemaakt kan worden.

De GEU en haar leden volgen deze ontwikkelingen op de voet en zijn blij dat de minister het belang ziet van een goed ingericht proces van implementatie van het nieuwe curriculum in leermiddelen. Hiermee worden scholen geholpen om tijdig te kunnen kiezen voor een geactualiseerd aanbod aan leermiddelen en worden uitgeverijen geholpen dat aanbod tijdig en zorgvuldig te ontwikkelen. Of het door de minister voorgestelde proces voldoende aan deze doelen tegemoet komt, is op dit moment nog onhelder.