Recent verscheen de nieuwste versie van het PISA-onderzoek. Dit is een driejaarlijks terugkerend grootschalig internationaal vergelijkend onderzoek naar de mate waarin 15-jarigen hun vaardigheden in lezen, wiskunde en natuurwetenschappen kunnen toepassen in dagelijkse situaties. Eén van de conclusies is dat de leesvaardigheid en het leesplezier van Nederlandse scholieren opnieuw zijn teruggelopen. Die conclusie was voor de ministers Van Engelshoven en Slob aanleiding om op te roepen tot een leesoffensief. Met dit offensief willen de ministers het voorlezen en lezen onder kinderen en jongeren stimuleren. De ministers volgen daarmee een advies dat de Raad voor Cultuur en de Onderwijsraad al in juni van dit jaar uitbrachten.

Preciezer kijkend naar de conclusies van het rapport blijkt het niveau van leesvaardigheid over alle landen heen al jaren dalend, maar in Nederland is de daling de laatste drie jaar relatief sterk. Het niveau van de Nederlandse leerlingen ligt nu rond het gemiddelde van alle 35 OESO landen die meededen aan het onderzoek, terwijl het in het verleden boven het gemiddelde lag. Nederlandse leerlingen zijn volgens het PISA-onderzoek vooral minder goed in het evalueren van en het reflecteren op teksten. De afname in leesvaardigheid wordt niet eenduidig bevestigd door andere bronnen; andere onderzoeken geven een diffuus beeld. Volgens het PISA-onderzoek zijn meisjes veel beter in lezen dan jongens. In het onderzoek valt verder op dat Nederlandse leerlingen de minst gemotiveerde lezers zijn van alle PISA-landen.

De opzet van het PISA-onderzoek is niet geschikt om sluitende verklaringen te geven voor de afname in leesvaardigheid. De onderzoekers suggereren wel enkele mogelijke verklaringen. In de eerste plaats is het lezen van lange teksten of boeken (het zogenoemde ‘diep lezen’) afgenomen. Ook is er weinig aandacht in het onderwijs voor het praten over boeken en lezen. Ook speelt het begripsproces een beperkte rol in het Nederlandse onderwijs. Dit is overigens iets wat in de curriculumherziening waar curriculum.nu aan werkt mogelijk zal veranderen.

De ministers zijn blij dat leesmotivatie en leesplezier in de voorstellen voor de curriculumherziening expliciet zijn opgenomen in de zeven grote opdrachten van het vak Nederlands. Daarop vooruitlopend zijn sommige scholen daaraan nu al invulling aan het geven. Bij de nadere uitwerking van het nieuwe curriculum willen de ministers dat er een handreiking ontwikkeld wordt om scholen te helpen hierin de juiste stappen te zetten.

Omdat de leesvaardigheid al jaren daalt is, naast het door de ministers voorgenomen leesoffensief al een tijdje beleid om vaardigheid en plezier in het lezen te verbeteren. Zo krijgen ouders bij de geboorte van hun kind een gratis jeugdlidmaatschap voor de bibliotheek. Op scholen zorgt Bibliotheek op School ervoor dat kinderen gemakkelijk boeken kunnen lenen. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt waardoor er in de komende jaren veel meer jeugdboeken beschikbaar komen in de e-bibliotheek. Ook werd eerder al bekend dat er extra geld komt voor onder andere lesprogramma’s over taal op basisscholen.

Het PISA-onderzoek kijkt niet alleen naar leesvaardigheid. Zo blijkt uit het onderzoek ook dat het niveau van wiskunde en natuurwetenschappen onder Nederlandse leerlingen de laatste drie jaar stabiel is gebleven. Meisjes zijn in vergelijking tot jongens voor het eerst iets beter in natuurwetenschappen en net zo goed in wiskunde.

Tot slot blijken Nederlandse leerlingen meer tevreden met hun leven te zijn dan leerlingen in de meeste andere OESO-landen.

Over het PISA-Onderzoek

PISA staat voor Programme for International Student Assessment en is een driejaarlijks terugkerend grootschalig internationaal vergelijkend onderzoek naar de mate waarin 15-jarigen hun vaardigheden in lezen, wiskunde en natuurwetenschappen kunnen toepassen in dagelijkse situaties. Dit PISA-onderzoek wordt sinds 2000 elke drie jaar uitgevoerd onder OESO-landen en partnerlanden. Nederland doet al vanaf het begin mee aan dit onderzoek.

Het recent gepubliceerde onderzoeksrapport is gebaseerd op een meting die in het voorjaar van 2018 is uitgevoerd en heet daarom PISA-2018. PISA-2018 is uitgevoerd onder 60.000 leerlingen in 79 landen. In Nederland hebben 4765 willekeurig geselecteerde leerlingen van 156 willekeurig geselecteerde scholen meegedaan aan het onderzoek. PISA-2018 vergelijkt de Nederlandse resultaten met de 35 OESO landen waarmee ook in 2015 is vergeleken. Ook worden de resultaten afgezet tegen die van de 44 andere landen die in PISA-2018 zijn betrokken.