Op 30 september 2021 heeft minister Slob de evaluatie van de Wet Gratis Schoolboeken (WGS) aan de Tweede Kamer gestuurd. De evaluatie van de WGS vindt elke vier jaar plaats. Dit is de derde evaluatie sinds de wet in 2008 is ingevoerd. De, voor educatieve uitgeverijen meest relevante, bevindingen zijn de volgende:

  • De productaanbestedingen vormen nog de minderheid in de markt, maar het aandeel is de afgelopen jaren gegroeid. Het is nog onzeker of scholen uiteindelijk voordeliger uit zijn met een productaanbesteding in vergelijking met een all-in-one aanbesteding. Hoewel de ontwikkelingen op het gebied van LiFo en aanbesteden hebben geleid tot veel beweging, blijven de verhoudingen binnen deelmarkten vooralsnog nagenoeg hetzelfde. Wel staat door de ontwikkelingen de positie van distributeurs onder druk.
  • De meeste scholen hebben een voorkeur voor blended learning: het gebruik van digitale leermiddelen naast foliomaterialen. De nieuwe digitale methoden zijn actueel en bieden nieuwe mogelijkheden voor differentiatie in het onderwijs. Doordat leermiddelen in toenemende mate als LiFo-product worden aangeboden, staat de beschikbaarheid van foliomaterialen volgens scholen onder druk. De grote uitgevers richten zich in toenemende mate op de digitale component van de methode (digital first). Scholen die willen kiezen voor een papieren versie van de methode kunnen dat steeds vaker alleen nog doen door het hele LiFo-pakket af te nemen.
  • Scholen zien dat ze meer besteden aan de aanschaf van leermiddelen dan voorheen. Ze wijten dat in belangrijke mate aan de kosten van het digitale lesmateriaal en het gebrek aan flexibiliteit om binnen de methode een selectie van lesmateriaal te kunnen maken. De kosten zijn ook minder beheersbaar doordat scholen niet meer kunnen sturen op de afschrijfperiode van de leermiddelen: de licenties moeten elk jaar worden vernieuwd. De toenemende kosten zorgen ervoor dat de schoolleiding vaker stuurt op de keuze voor leermiddelen. Vaker dan voorheen worden vaksecties aangespoord om ook te kijken naar alternatief lesmateriaal. Het creëren van curriculumbewustzijn om een zorgvuldige afweging ten aanzien van leermiddelen te kunnen maken en het zelf ontwikkelen van leermiddelen vragen om voldoende tijd en specifieke competenties van leraren.
  • Door de WGS liggen de kosten voor de aanschaf van lesmateriaal bij de school en niet bij de ouders. Voor de kosten van devices ligt dat anders. Scholen zijn ervoor verantwoordelijk dat lessen toegankelijk zijn voor iedere leerling, terwijl devices geen deel uitmaken van de WGS. Scholen wijzen erop dat de lumpsumbekostiging niet voldoende is om voor iedere leerling een device te regelen. Daarbij komt dat door de digitalisering de toegang tot een device voor veel leerlingen haast onontbeerlijk is geworden. Op een groot deel van de vo-scholen hebben leerlingen een device nodig om lessen te kunnen volgen. Veel scholen vragen ouders om een device aan te schaffen voor hun kind en maken daarvoor afspraken met een externe partij over de aanschaf en het onderhoud van een device. Ouders kunnen dan bij die partij het device afnemen tegen gunstige voorwaarden ten aanzien van de aanschaf en bijkomende dienstverlening. Het is voor ouders onaantrekkelijk om daaraan geen gehoor te geven. Voor ouders die wegens de financiële situatie geen mogelijkheden zien het device aan te schaffen, is op school meestal een regeling mogelijk. Ouders ervaren een drempel om aan te kloppen voor financiële hulp.

Het complete dossier kunt u hier vinden.