Op maandag 28 november 2011 hield de GEU in het Spoorwegmuseum in Utrecht de conferentie ‘Leermiddelenbeleid, digitalisering en ketenoptimalisering’. De conferentie richtte zich op bestuurders en directeuren van scholen voor voortgezet onderwijs. Ook relevante partners zoals Kennisnet, SLO en het ministerie van OCW waren aanwezig. In het plenaire deel en de meeste workshops keerde één vraagstelling telkens terug. Als scholen leermiddelen als investering zien en niet als kostenpost, hoe kunnen scholen dan het beste leermiddel tegen de beste prijs krijgen. Niet alleen de onderwijsvisie blijkt daarin bepalend maar ook is een andere manier van aanbesteden noodzakelijk om het beste leermiddel te krijgen, zo viel uit diverse monden op te tekenen aan het eind van de dag.

> Bekijk het fotoverslag

Arend Runia over de directe relatie met uitgevers: ‘Eén belletje is genoeg’

Onder leiding van Victor Deconinck trapten Arend Runia (schoolbestuurder), Frank Kalshoven (econoom en columnist) en Stephan de Valk (uitgever en GEU-vertegenwoordiger) de dag af. Arend Runia vatte kort de drie onderwijskundige uitgangspunten van zijn school Landstede in Zwolle samen: de leerling kan altijd verder waar hij gebleven is, hij komt altijd op zijn hoogste niveau uit, en hij kiest als hij daar zelf aan toe is. Vervolgens is gekeken naar de leermiddelen die daarbij passen. In plaats van een hogere korting te bedingen bij distributeurs is gekozen voor een abonnementsmodel, waarbij de school het gebruiksrecht verwerft over leermiddelen. Leermiddelen zijn daarbij opgevat als kwaliteitsimpuls, niet als kostenpost. Voordeel van het abonnementsmodel is dat je direct met de leverende partij, de makers van de leermiddelen zelf, om tafel zit: ‘Eén belletje is genoeg’. Bovendien zorgt een afgestemd gebruik van leermiddelen door alle docenten voor professionalisering en meer samenhang in uitvoering van de onderwijsvisie. Runia is van oordeel dat het abonnementsmodel een belangrijke toegevoegde economische waarde betekent voor zijn school, mede door het directe contact met uitgevers.

Frank Kalshoven: ‘Verhoog de arbeidsproductiviteit door innovatie.’

Econoom en columnist Frank Kalshoven benadert vervolgens het onderwijs vanuit een economische invalshoek. Hij verwijst naar de wet van William Baumol, namelijk dat in de publieke sector de arbeidsproductiviteit niet groeit terwijl de lonen wel stijgen. Doordat de productie in de publieke sector niet groeit, gaat de inkomensgroei van de publieke sector dus ten koste van de private sector, dat is het tweede deel uit de wet van Baumol. De metafoor van de Afsluitdijk (arbeidsintensief) versus de Maasvlakte (kapitaal- en technologie-intensief) maakt duidelijk hoe de arbeidsproductiviteit in de private sector enorm is gestegen. Het onderwijs heeft deze groei niet meegemaakt. Sterker nog, Kalshoven constateert een daling van de arbeidsproductiviteit doordat klassen in de loop van de vorige eeuw alleen maar kleiner zijn geworden. Maar tegelijk biedt hij een opening: de publieke sector kan de wet van Baumol doorbreken door innovatie. Stel scholen bijvoorbeeld twaalf uur per dag open, 52 weken per jaar. Zorg voor flexibele in- en uitstroom van leerlingen. Beknibbel niet op technologie of leermiddelen want dat zijn niet de echte kosten op een school. Zorg dat docenten meer lessen geven en arbeidsproductiever worden. Voor leermiddelen moet een school zich daarom ook niet laten beperken door de 320 euro die beschikbaar is gekomen via de Wet Gratis Schoolboeken, maar uitgaan van de ruim 7.000 euro die een school per leerling beschikbaar heeft. Met dat geld kan de arbeidsproductiviteit van het onderwijs groter gemaakt worden dan zij nu is. Innovatieve leermiddelen spelen daarbij een belangrijke rol.

> Download de Powerpoint-slides

Stephan de Valk over innovatie: ‘Uitgevers en scholen hebben elkaar nodig voor innovatie.’

Stephan de Valk benadrukt in reactie op Frank Kalshoven de thema’s waarop uitgevers binnen de GEU deze innovatie gestalte geven. De Valk wijst op de kansen die de Wet Gratis Schoolboeken en het aanbesteden bieden. Ook speelt digitalisering een cruciale rol bij innovatie om zo het door Kalshoven geschetste massa maatwerk mogelijk te maken.  Scholen kunnen daarbij hun voordeel doen met de mix van methodisch, open en zelfgemaakt leermateriaal. Bij deze innovatie van leermiddelen noemt De Valk drie aandachtspunten: een scherpe formulering van de behoefte van scholen (vraagarticulatie), afstemming van de eisen van schoolleiders en docenten, en tot slot afstemming van de wensen op het budget. De Valk wijst erop dat de directe samenwerking tussen uitgevers en school, zoals bij Landstede, voor het onderwijs van grote innovatieve waarde kan zijn.

Conclusies

In de wrap up van de conferentie verzamelt Victor Dekoninck onder de aanwezigen de belangrijkste conclusies.

Conclusie 1: versterk de dialoog tussen scholen en uitgevers
Een belangrijke conclusie is dat scholen anders naar de producenten van leermiddelen moeten gaan kijken. In een dialoog met uitgevers kunnen scholen sterker profiteren van uitgevers dan tot dusver het geval was. In de voorbereiding op een aanbesteding mag en kan deze dialoog vrij gevoerd worden via marktconsultaties.

Conclusie 2: onderzoek andere manieren van aanbesteden
Een schoolleider geeft aan dat veel tijd verloren is gegaan doordat scholen te lang aan de leiband van distributeurs en de VO-raad hebben gelopen. Scholen moeten meer vertrouwen op hun eigen visie en kracht zodat ze zelf bij een aanbesteding het beste resultaat krijgen voor de beste prijs.

Conclusie 3: betere afstemming vraag en aanbod
Het verkrijgen van goede leermiddelen vereist intensieve communicatie. De tijd van ‘u vraagt, wij draaien’ is voorbij. Vraag en aanbod kunnen alleen nauw op elkaar aansluiten als de partijen elkaar opzoeken.

Conclusie 4: beschouw leermiddelen als investering
Belangrijker dan de vraag wat een leermiddel kost, is de vraag wat een leermiddel oplevert. In deze benadering doet de vorm van het leermiddel er ook niet meer zo toe. Digitaal of papier maakt niet uit, als het resultaat maar optimaal is. Bovendien is het budget voor kwalitatieve verbeteringen niet gelimiteerd tot zo’n 320 euro per leerling per jaar maar is de ruim 7.000 euro per leerling het uitgangspunt.

Conclusie 5: toon onderwijskundig leiderschap
Een duidelijke visie van een schoolmanager is prachtig maar levert weinig op als deze visie niet breed in de school gedragen wordt, door middenmanagement én door docenten. Daarom geldt voor leermiddelenbeleid, ketenoptimalisering en digitalisering uiteindelijk een belangrijke randvoorwaarde: onderwijskundig leiderschap.

Slotpresentatie: Advocaat David Orobio de Castro over veranderingen in de aanbesteding van leermiddelen

In zijn presentatie schetst David Orobio de Castro een korte geschiedenis van het aanbesteden van leermiddelen. Hij brengt in herinnering dat bij de Wet Gratis Schoolboeken niet voorzien was dat scholen vervolgens Europees zouden moeten gaan aanbesteden. Orobio de Castro wijst erop dat je bij aanbesteden uiteindelijk altijd krijgt wat je vraagt. Aanbesteden ging in het Amsterdam van enkele eeuwen geleden bijvoorbeeld niet veel anders. Zolang een kaars brandde, kon iedereen zich inschrijven voor een opdracht. Deze opdracht ging uiteindelijk altijd naar de laagste bieder. Orobio de Castro schetst vervolgens dat je uit een aanbesteding meer kan halen dan alleen een financieel voordeel. Hulpmiddelen als ‘de ‘concurrentiegerichte dialoog’ en ‘de gids proportionaliteit’ zijn handige instrumenten om ook kwalitatief voordeel te behalen bij een aanbesteding van leermiddelen.

> Download de Powerpoint-slides