Onderwijs is vrijgesteld van btw. Dat betekent dat onderwijsinstellingen over hun diensten geen btw in rekening hoeven te brengen. Maar het betekent ook dat de btw over inkopen niet kan worden teruggevorderd. De btw is daarmee een directe kostenpost die rechtstreeks ten laste van het schoolbudget gaat.

Btw op digitale leermiddelen

Tot en met 2019 gold nog het hogere btw-tarief van 21 procent voor digitale producten. Daardoor kostte het scholen al snel duizenden euro’s meer als zij meer digitale leermiddelen wilden gebruiken. Hierdoor bleef de vraag naar innovatieve digitale leermiddelen onnodig achter. Scholen werden in hun keuze belemmerd en de innovatie die scholen graag wilden werd geremd. Ook was het formeel in strijd met fiscale neutraliteit.

Direct nadat de Europese Commissie in 2016 landen ruimte gaf om een lager btw-tarief te hanteren op e-publicaties riep de GEU daarom samen met de PO-Raad, VO-raad, MBO Raad, Kennisnet, KBb-E en VDOD de Tweede Kamer op om zo snel mogelijk de btw-verlaging in Nederland te realiseren. Eind 2019 stemde de Tweede Kamer in met het verlaagde btw-tarief voor e-publicaties. Daarmee erkende de Kamer dat de maatschappelijke waarde van digitale uitgeefproducten gelijk is aan die van gedrukte varianten en daalden de kosten voor digitale leermiddelen voor scholen. De verlaging gold niet voor digitale toetsen.

De lage btw op e-publicaties wordt in 2023 geëvalueerd. De GEU zet zich samen met onder andere de Mediafederatie in om het belang van de lage btw te blijven benadrukken.

Btw op leermiddelen in het algemeen

Begin 2019 verhoogde de overheid het lage btw-tarief van 6 naar 9 procent. Dit voerde de kosten die scholen maken voor aanschaf van alle leermiddelen op en kwam de ruimte voor scholen om te investeren in leermiddelen verder onder druk te staan.